The Shekinah Glory

To behold the beauty of the Lord, And to inquire in His temple.

In de Schuiplaats des Allerhoogsten

Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten,
vernacht in de schaduw des Almachtigen.
Ik zeg tot de HERE: Mijn toevlucht en mijn vesting,
mijn God, op wie ik vertrouw. 
Psalm 91: 1-2
 
 

My Desire

 

 

 

Here I stand in Your presence,
Calling out to You:
More of You and less of me,
Cleanse my heart, set me free.
I want to look into Your eyes,
Know the secrets of Your heart,
But most of all this is my cry:
I want to be loved by You.

My desire is to see Your face.
My desire is to feel Your embrace.
My desire is to know without a doubt
That You will never let me go;
This is the desire of my heart.

Your love wraps around my heart
Like the wings on an angel

Makes me feel secure in my Father's arms.

 

@Kelley Warren 

 

 

De Serafs en de Cherubs bij de troon

 

De serafs en de cherubs bij de troon.

 

Openb.4:6b-8 Midden voor de troon en eromheen waren vier wezens, die van voren en van achteren een en al oog waren. Het eerste wezen zag eruit als een leeuw en het tweede als een jonge stier; het derde had een gezicht als een mens en het vierde leek een vliegende adelaar. Elk van de vier wezens had zes vleugels, met overal ogen langs de randen en aan de binnenkant. Dag en nacht herhalen ze: Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.

 

 

A: De vier levende wezens.

Er zijn twee verschillende groepen wezens in de hemel die in de Bijbel als levende wezens worden aangeduid, en dat zijn de serafs en de cherubs. Hoewel er nergens in de Bijbel direct verteld wordt dat deze serafs en cherubs behoren tot de rangorden van de engelen, behoren zij wel degelijk tot deze orde van geschapen wezens. Ps.18:11 vertelt ons in de poëtische taal dat God een cherub besteeg en vloog, en Hij zweefde op de vleugels van de wind; maar het Hebreeuwse woord voor wind (ruach) kan ook vertaald worden met geest. Wanneer we deze tekst zo vertalen, blijkt dat een cherub inderdaad een geestelijk wezen is, die behoort tot de leefwereld van de engelen die allemaal geesten zijn (Hebr.1:14). Er is een duidelijk verschil tussen deze serafs en cherubs, zeker wat hun functie in de hemel betreft.

 

A1: De serafs.

Jes.6:1-4 In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van Zijn mantel vulde de hele tempel. Boven Hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. Zij riepen elkaar toe: Heilig, heilig, heilig is de HEER van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van Zijn majesteit. Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook.

In dit visioen worden de levende wezens boven de troon van God aangeduid met de naam seraf; dit is de enige plaats in de Bijbel waar zij zo genoemd worden. Het Hebreeuwse woord ‘saraph’ komt alleen nog in de volgende teksten voor: Num.21:6+8, Deut.8:15, Jes.14:29, 30:6. In deze teksten is het woord ‘saraph’ een aanduiding van giftige slangen; dit woord is namelijk afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord ‘saraph’ dat de betekenis heeft van verbranden, in de brand steken, een vuur aansteken. De betekenis van het woord seraf zit hem vooral in de vurige betekenis. Er is een duidelijke overeenkomst met de vier levende wezens uit Openb.4:7-8.

Openb.4:6b-8 Midden voor de troon en eromheen waren vier wezens, die van voren en van achteren een en al oog waren. Het eerste wezen zag eruit als een leeuw en het tweede als een jonge stier; het derde had een gezicht als een mens en het vierde leek een vliegende adelaar. Elk van de vier wezens had zes vleugels, met overal ogen langs de randen en aan de binnenkant. Dag en nacht herhalen ze: Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.

De serafs uit Jes.6 en de levende wezens uit Openb.4 hebben een aantal zeer opvallende, gemeenschappelijke kenmerken waarin zij verschillen van de cherubs.

1) zowel in Jes.6 als in Openb.4 hebben de serafs elk maar één gezicht.

2) zowel in Jes.6 als in Openb.4 hebben de serafs elk zes vleugels.

3) in Jes.6 staan de serafs boven de troon, in Openb.4 staan ze rondom de troon.

4) zowel in Jes.6 als in Openb.4 aanbidden de serafs God met een drievoudig ‘heilig’.

 

A2: De cherubs.

Het Hebreeuwse woord ‘keruwb’ komt 91 keer voor in het Oude Testament; de betekenis en de oorsprong is onzeker. In het Nieuwe Testament komt het woord niet voor. De cherubs vinden we in de Bijbel terug als bewakers van de ingang van het paradijs (Gen.3:24), als twee beelden op het deksel van de ark in de tabernakel (Ex.25:18-22), als versiering op de tentkleden van de tabernakel (Ex.26:1+31), als een soortgelijke versiering in de tempel van Salomo (1Kon:6-8), als drager van de glorie van God (Ps.18:11, Ezech.9:3+10:18), als de identiteit van Lucifer voordat hij in zonde viel (Ezech.28:14), en als versiering in de tempel van het boek Ezechiël (Ezech.41).

1) in Ezech.1:6 hebben de cherubs elk vier gezichten, hun afbeeldingen in de tabernakel en in de tempel hebben maar één gezicht.

2) in Ezech.1:6 hebben de cherubs elk vier vleugels, hun afbeeldingen in de tabernakel en in de tempel hebben maar twee vleugels.

3) in Ezech.1:22 staan de cherubs onder de glazen zee en onder de troon van God.

4) in Ezech.1:15 hebben de cherubs elk een wiel naast zich staan (Ezech.19:9-10, Dan.7:9).

5) de cherubs worden beschreven als dragers van de troon van God (2 Kon.19:15, Ps.80:2, Ps.99:1, Jes.37:16).

 

B: De identiteit van de serafs.

Openb.4:6b-8 Midden voor de troon en eromheen waren vier wezens, die van voren en van achteren een en al oog waren. Het eerste wezen zag eruit als een leeuw en het tweede als een jonge stier; het derde had een gezicht als een mens en het vierde leek een vliegende adelaar. Elk van de vier wezens had zes vleugels, met overal ogen langs de randen en aan de binnenkant. Dag en nacht herhalen ze: Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.

Jes.6:1-4 is het Bijbelgedeelte dat de vier levende wezens uit Openb.4:6b-8 identificeert als serafs, omdat in beide gedeelten deze engelen zes vleugels hebben en boven of rondom de troon van God zijn; het is hun roeping om God te aanbidden met een drievoudig ‘heilig’. Het kan niet anders of het zijn engelen met een zeer bevoorrechte positie, omdat zij zeer dicht bij de troon van God zijn. Volgens Jesaja staan zij boven de troon van God, wat een aanduiding is van dienaren in een wachtende houding.

 

B1: Vurige wezens, vol van leven.

Openb.4:6b Midden voor de troon en eromheen waren vier wezens……

In Jesaja worden de serafs omschreven als zeer vurige wezens, in Openbaring worden zij omschreven als levende wezens met de nadruk op het begrip leven. Zij zijn een prachtige weerspiegeling van geschapen wezens die hun hele leven vullen met het kijken naar de schoonheid van God. God legt een geweldige verklaring over Zichzelf af, wanneer Hij de dichtstbijzijnde engelen in staat stelt om hun leven lang God te aanschouwen. En omdat zij zo dichtbij Hem zijn, raken zij in vuur en vlam door Degene van wie het volgende gezegd wordt.

Deut.4:24 Want de HEER onze God is een verterend vuur.

Dan.7:9b-10a Zijn troon bestaat uit vuurvlammen, en de wielen uit laaiend vuur. Een rivier van vuur welt op en stroomt voor Hem uit.

De God van vurige passie en hartstocht ontsteekt altijd een vuur in hen die dicht bij Hem staan; daarom staan de overwinnaars in Openb.15:2 op de zee van glas die op dat moment met vuur vermengd is. Zo was Johannes de Doper een lamp die helder brandde (Joh.5:35), omdat hij de stem van de Bruidegom had leren verstaan (Joh.3:29). Zo worden ook de cherubs uit Ezech.1:13 omschreven als brandende, vurige fakkels, omdat zij de vurige troon van God dragen. De serafs worden zo sterk aangeraakt door het vuur van God dat ze vurig en levend genoemd worden.

Jes.4:4-5 Wanneer de HEER het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, dan zal Hij boven de plaats waar de Sion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Zijn luister zal alles overdekken.

Jes.4:4 spreekt in het Hebreeuws letterlijk over de reiniging van Jeruzalem in de eindtijd door de Geest van oordeel en de Geest van vuur; daarna zal de wolk van Gods glorie overdag boven de stad zijn en 's nachts zal de stad door het lichtgevende vuur van Gods glorie verlicht worden. De Geest van vuur heeft in de eerste plaats te maken met de schoonheid van de Heer, maar in de tweede plaats heeft dit vuur te maken met het oordeel van God; en beide elementen van schoonheid en oordeel worden in de serafs teruggevonden. Samengevat zijn de serafs wezens die leven in de volheid van God en branden met het vuur van God; daarom zijn ze een portret voor hen die dicht bij God leven en schetsen ze een beeld van hoe de Bruid van Christus in de eeuwigheid zal zijn.

 

B2: De vleugels van de serafs.

Jes.6:2 Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen.

Openb.4:8 Elk van de vier wezens had zes vleugels……

1) twee vleugels om het gezicht te bedekken.

Met deze twee vleugels bedekken de serafs hun gezicht vanuit een houding van eerbied en ontzag voor de Schepper; de serafs hebben deze twee vleugels, omdat de voortdurende ontdekking van de schoonheid van God hen zodanig overweldigt, dat zij toegerust zijn met deze twee vleugels om hun gezicht te kunnen bedekken tegen de schoonheid die zij te zien krijgen. De cherubs hebben deze twee extra vleugels niet, omdat zij onder de troon van God zijn.

2) twee vleugels om de voeten te bedekken.

De voeten zijn de lichaamsdelen die de koers bepalen van de weg die wij gaan (Ps.18:33-34, Spr.4:26-27). Door hun voeten te bedekken geven de serafs te kennen, dat zij op geen enkele manier hun eigen weg willen gaan; zij brengen hun voeten alleen tevoorschijn wanneer God hen daartoe opdracht geeft. Zij behoren Hem toe en staan volledig tot Zijn beschikking; en daarmee zijn ze een beeld van de dienaar die zichzelf vrijwillig ter beschikking stelt aan zijn meester.

3) twee vleugels om te kunnen vliegen.

Deze twee vleugels spreken van het vermogen om onmiddellijk bevelen van God uit te voeren in gehoorzaamheid, wanneer Hij daartoe opdracht geeft; maar deze vleugels spreken ook van het vermogen om in een toestand van evenwichtige rust voor de troon van God te blijven en Zijn glorie te aanschouwen.

 

B3: De gezichten van de serafs.

Openb.4:7 Het eerste wezen zag eruit als een leeuw en het tweede als een jonge stier; het derde had een gezicht als een mens en het vierde leek een vliegende adelaar.

De serafs weerspiegelen de glorie die zij met eigen ogen zien; elke seraf brandt vurig met de realiteit van God die hij ziet en daarom ook weerspiegelt.

1) het eerste gezicht is als een leeuw - dit spreekt van God als soevereine Koning.

2) het tweede gezicht is als een stier - dit spreekt van God als de dienende Dienaar.

3) het derde gezicht is als een mens - dit spreekt van God die Mens geworden is.

4) het vierde gezicht is als een adelaar - dit spreekt van God die hoogverheven is.

Deze vier gezichten zijn volgens de Joodse traditie de vier banieren waaronder Israël optrok in de woestijn op weg naar het beloofde land (Num.2). Juda droeg het banier van de leeuw, Ruben droeg het banier van de mens, Efraïm droeg het banier van de stier, en Dan droeg het banier van de adelaar. De cherubs hebben in Ezech.1:10 elk vier gezichten, en deze vier gezichten zijn dezelfde als de serafs hebben; het verschil is dat elke seraf een apart gezicht heeft, terwijl de cherubs elk alle vier gezichten hebben.

Een van de doelstellingen van de serafs is dat zij een weerspiegeling zijn van de oneindig grote en indrukwekkende schoonheid van God; in hun spreken proclameren zij voortdurend de transcendente schoonheid en oneindige superioriteit van God. Daarom worden zij ook gebruikt om de eerste vier oordelen uit Openb.6 over de aarde los te laten.

Openb.6:1 Toen zag ik dit: het Lam verbrak een van de zeven zegels en ik hoorde een van de vier wezens roepen met een geluid als een donderslag: Kom!

Openb.6:3 Toen het lam het tweede zegel verbrak, hoorde ik het tweede wezen zeggen: Kom!

Openb.6:5 Toen het derde zegel werd verbroken, hoorde ik het derde wezen zeggen: Kom!

Openb.6:7 Toen het vierde zegel werd verbroken, hoorde ik het vierde wezen zeggen: Kom!

Wanneer Jezus als het Lam de zegels van de boekrol verbreekt, komen deze levende wezens in actie; dat betekent dat de oordelen van God in de eindtijd, waarmee de serafs verbonden zijn, in relatie staan tot de transcendente schoonheid van God waarin deze serafs leven. Het punt is dat de atmosfeer van schoonheid en de oordelen van de eindtijd in volledige harmonie met elkaar zijn. De serafs hebben geen enkele moeite met het aanvaarden van deze oordelen van God, omdat zij in volkomen harmonie leven met een bepaald aspect van het wezen van God dat in deze oordelen tot expressie komt.

 

B4: De ogen van de serafs.

Openb.4:6b+8a Midden voor de troon en eromheen waren vier wezens, die van voren en van achteren een en al oog waren…….(8) Elk van de vier wezens had zes vleugels, met overal ogen langs de randen en aan de binnenkant……

Vers 6b zegt dat de serafs ogen van voren en van achteren hebben, terwijl vers 8a zegt dat zij ogen aan de zijkant en aan de binnenkant hebben. De ogen aan de zijkant spreken van de God die is, de ogen aan de achterkant spreken van de God die was, en de ogen aan de voorkant spreken van de God die komt (Openb.1:4+8, 4:8, Hebr.13:8). Maar de ogen aan de binnenkant van de vleugels spreken van het vermogen om de andere drie dimensies tot een interne persoonlijke realiteit te maken; de serafs zijn in staat om hun vleugels te bewegen zonder ooit hun visie op God te onderbreken. Deze ogen spreken van het gezalfde vermogen om ononderbroken de schoonheid van God te aanschouwen.

Zo kunnen ook wij geen enkele betekenis geven aan wat ons in het verleden is overkomen, of aan de omstandigheden in het heden, zonder dat wij openbaring hebben ontvangen over onze toekomst. Wij zijn op weg naar een hemelse bruiloft, waar wij voor eeuwig verbonden zullen worden met de tweede Persoon van de Drie-Eenheid. De Vader organiseert de natuurlijke geschiedenis zodanig dat wij met helder stralende gerechtigheid klaargemaakt worden voor de grote dag van Jezus Christus.

2 Tim.1:9-10 Hij heeft ons gered en ons geroepen tot een heilige taak, niet op grond van onze daden, maar omdat Hij daartoe uit genade besloten had. Deze genade was ons al vóór alle tijden gegeven in Christus Jezus, maar nu is ze bekend geworden doordat onze redder Christus Jezus is verschenen, die de dood heeft vernietigd en onvergankelijk leven heeft doen oplichten door het evangelie.

En net als Jesaja in Jes.6:1+5 de Heer in al Zijn schoonheid op de troon zag zitten, zijn ook wij geroepen om onze Koning in al Zijn schoonheid te aanschouwen.

Jes.33:17 Met eigen ogen zul je de Koning in al Zijn schoonheid aanschouwen, weldra zul je een land zien dat zich uitstrekt tot in de verte.

 

B5: De mond van de serafs.

Openb.4:8b Dag en nacht herhalen ze: Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.

Wat de ogen van de serafs zien, dat proclameren zij met hun mond; omdat hun ogen dag en nacht verzadigd worden met de schoonheid en de majesteit van God, hebben zij een gezalfde manier van spreken om de transcendente schoonheid van God te proclameren. En rust een krachtige zalving op hun woorden, want ……

Openb.4:9-11 Telkens wanneer zij lof, eer en dank brengen aan Degene die op de troon zit en tot in eeuwigheid leeft, werpen de vierentwintig oudsten zich neer voor Hem die op de troon zit, en aanbidden Hem die leeft tot in eeuwigheid, en zij leggen hun kransen voor Zijn troon met de woorden: U komen alle lof, eer en macht toe, Heer onze God, want U hebt alles geschapen; Uw wil is de oorsprong van alles wat er is.

Paulus was niet bij machte om datgene wat hij in de derde hemel gezien had onder woorden te brengen (2Kor.12:2-4); maar het is ons wel gegeven om door het woord van God verzadigd te worden met de schoonheid van God, zodat wij op allerlei manieren deze schoonheid onder woorden kunnen brengen. Net als bij Jesaja kunnen ook onze lippen gezalfd worden met het vuur van God, zodat wij in autoriteit kunnen spreken (Jes.6:6-7).

Kol.3:16 Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft.

Ef.5:18-20 Laat de Geest u vervullen en zing met elkaar psalmen, hymnen en liederen die de Geest u ingeeft. Zing en jubel met heel uw hart voor de Heer en dank God, die uw Vader is, altijd voor alles in de naam van onze Heer Jezus Christus.

De serafs onderbreken hun aanbidding van God geen enkel moment, zij hebben dag noch nacht rust in hun bediening van aanschouwen, proclameren en aanbidden. Daaruit kunnen wij de les leren dat ook wij de bekwaamheid mogen ontvangen om ons hart volledig aan de Heer te geven in gehoorzaamheid. Deze zalving om onszelf volledig over te geven komt voort uit de zalving om de schoonheid van God te aanschouwen en de zalving om deze schoonheid te proclameren. We zijn gemaakt om ons levend, gepassioneerd en vurig te voelen in de combinatie van deze realiteit van aanschouwen, proclameren en aanbidden. De aandrang komt van binnenuit en niet van buitenaf als een opgelegde taak; de aandrang is gelijkwaardig aan de kracht van het aanschouwen.

Zo was ook David een aanbidder van God omdat hij geleerd had de schoonheid van God te zien (Ps.27:4); dat leerden ook Maria van Betanië (Luc.10:42) en Paulus (Fil.3:8). Zij die omschreven worden als vurige wezens (serafs) hebben als levensdoel de transcendente schoonheid van God te aanschouwen, te proclameren en zich daarna neer te buigen in aanbidding; dat is hun eeuwige levensdoel. Zo kunnen ook wij onszelf overgeven aan dit aanschouwen, proclameren en aanbidden van God, maar het bewonderend aanschouwen van de schoonheid van God is de essentiële kwestie. Vaak worden wij ertoe aangespoord om onszelf aan God te geven zonder dat wij Zijn schoonheid gezien hebben; dat is een nobel doel op zichzelf maar niet erg effectief. Investering in het proces van aanschouwen en proclameren brengt in ons hart een overvloed die overstroomt in aanbidding voor Degene die zit op de troon.

Joh.17:26 Ik heb hun Uw naam bekendgemaakt en dat zal Ik blijven doen, zodat de liefde waarmee U Mij liefhad in hen zal zijn en Ik in hen.

Luc.24:32 Brandde ons hart niet toen Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons ontsloot?

 

C: De cherubs.

In de visioenen van Ezech.1+10+11 zijn cherubs de dragers van de troon van God. Daarom hebben de cherubs vleugels, en zijn de vleugels altijd het meest wezenlijke bestanddeel van een cherub. Volgens de betekenis van vleugels in de symboliek van het Oude Testament zijn cherubs daarom wezens die zich heel snel naar alle richtingen van het heelal, van de hemel naar de aarde en van de aarde weer naar de hemel, kunnen bewegen.

Als de dragers van God zijn de cherubs dus de getuigen van Zijn persoonlijke aanwezigheid; waar zij zijn, is God op aarde nedergedaald en persoonlijk tegenwoordig. Daarom zijn de cherubsbeelden ook het voornaamste sieraad van de tabernakel van Mozes en van de tempel van Salomo. In het prachtige dekkleed en in het voorhangsel van het heilige der heilige van de tabernakel waren cherubsbeelden ingeweven (Ex.26:1+31), en in het heilige der heilige stonden twee gouden cherubs op de ark van het verbond (Ex.25:18-19). De deuren aan de ingang van het heilige en het heilige der heilige en het hout waarmee de wanden van het voorportaal en van de tempel van Salomo bekleed waren, waren versierd met beelden van cherubs, palmbomen en bloemen, die belegd of overtrokken waren met goud (2Kron.3:7,  (1Kon.6:29+32), waarschijnlijk zo dat er tussen twee cherubs telkens een palmboom stond (Ezech. 41:18). Ook waren er cherubsbeelden ingeweven in het voorhangsel dat voor de ingang van het heilige der heilige hing (2Kron.3:14).

Op de stellingen van de wasvaten in de voorhof waren, behalve leeuwen, palmbomen en stieren, ook cherubs afgebeeld (1Kon.7:29+36). In het heilige der heilige van de tempel stonden twee reusachtige cherubsbeelden van tien el hoog, gemaakt van olijvenhout en met goud overtrokken. Zij keken naar het heilige en besloegen met hun vleugels, die vijf el lang waren, de hele breedte van het heilige der heilige, zodat zij aan beide zijden de wand raakten terwijl de vleugels in het midden elkaar raakten. Onder dit punt van aanraking stond de ark van het verbond (1Kon.6:23+8:6).

De uitdrukking die zegt dat God op de cherubs troont (1Sam.4:4, 2Sam.6:2, 2Kon.19:15, 1Kron.13:6, Ps.80:2+99:1, Jes.37:16) heeft betrekking op de voortdurende aanwezigheid van de Heer temidden van Zijn volk. De betekenis van de cherubs in het heilige der heilige is ook het bewaken van de plaats waar God woont. Zij moeten Gods majesteit verbergen voor de nieuwsgierige blikken van zondige mensen en er voor zorgen, dat niemand zomaar de heilige God nadert. De cherubs zijn de bewakers van de heiligheid van God. Daarom staan zij op het voorhangsel aan beide zijden van God, die tussen hen in woont, en bedekken zij met hun opgeheven vleugels de ruimte tussen hen in. Het is echter niet zo dat God bewakers nodig heeft, maar het zijn juist de mensen die bewakers nodig hebben die voorkomen dat mensen ongereinigd tot God naderen; de aanwezigheid van cherubs bij de troon van God voorkomt juist dat zondaars gedood worden. De cherubs beschermen God niet tegen de zondaars, maar precies andersom.

Ps.99:1 De HEER is koning, volken, beef! Hij troont op de cherubs, aarde, sidder! Groot is de HEER op de Sion, verheven is Hij boven alle volken. Uw naam moeten zij loven, zo groot en geducht. Heilig is Hij.

Het bovenstaande wint aan betekenis als wij de cherubs zien optreden als bewakers van het paradijs. Volgens Gen.3:24 heeft God na de zondeval cherubs geplaatst voor de ingang van het paradijs om de mensen de toegang te beletten, vooral tot de boom des levens. Omdat ook het paradijs een plaats op aarde was waar God persoonlijk aanwezig was (Gen.3:8+4:14), hebben de cherubs hier dezelfde functie als in de tabernakel en in de tempel. In tegenstelling tot de serafs, die als aanbidders beschreven worden, worden de cherubs vooral als werkers en bewakers beschreven. Maar het feit dat twee cherubs zowel in de tabernakel van Mozes als in de tempel van Salomo hun blik gericht houden op de ark met het verzoendeksel, betekent dat ook zij uitzien naar de volledige verlossing van mensen door het offer van Jezus Christus op het kruis van Golgotha.

 

V.v.d.B. J 

http://www.hefzibah.nl/

 

Stille Tijd

De Transcendente schoonheid van God

 

De transcendente schoonheid van God.

Openb.4:3 Degene die op de troon zat had een uiterlijk als van jaspis en sarder, en rond de troon was een regenboog die eruit zag als smaragd.

A: De onthulling van de schoonheid van de Vader in Openb.4:1-7.


Er zijn 15 verschillende dimensies in de schoonheid van de Vader, die onderverdeeld kunnen worden in vijf groepen van elk drie aspecten. In het vorige hoofdstuk hebben we de eerste groep besproken, namelijk het epicentrum van alle leven met de drie kenmerken van het leven in de Geest, de troon in de hemel, en Iemand die op deze troon zit. In dit hoofdstuk wordt de tweede groep met drie aspecten besproken, namelijk de drie aspecten die de transcendente schoonheid van God de Vader beschrijven. Deze stralende schoonheid van de Vader wordt beschreven door drie verschillende minerale stenen, namelijk de jaspis, de sarder en de smaragd. De jaspis beschrijft hoe God de Vader er uitziet, de sarder beschrijft hoe de Vader voelt, en de smaragd beschrijft hoe de Vader handelt.

Wanneer Johannes naar de stralende schoonheid van God de Vader op Zijn troon kijkt, ziet hij vele onbekende dimensies van glorie; daarom zoekt hij naar allerlei vergelijkingen in de natuurlijke wereld om expressie te kunnen geven aan wat hij ziet. Hij gebruikt natuurlijke kleuren om het uiterlijk van de Persoon op de troon in menselijke woorden te kunnen weergeven, zoals jaspis, sarder en smaragd. Ook de profeet Ezechiël moest in Ezech.1+10 menselijke bewoordingen gebruiken om de bovennatuurlijke openbaring in het visioen te kunnen weergeven. Hij raakte zo verloren in wat hij zag dat hij woorden tekort kwam; daarom gebruikte hij 53 keer de woorden als, lijkend op, gedaante of verschijning.

Het Hebreeuwse woord ‘demuwth’ in de betekenis van gelijkenis of vergelijking komt 25 keer voor in de Bijbel, maar daarvan maar liefst 15 keer in Ezech.1+8+10. De schoonheid van God op Zijn troon schittert als jaspis en sarder vermengd met vlammend vuur (Dan.7:9-10); het vuur rondom Gods troon maakt iedereen die dicht bij de troon komt mooi in schoonheid, versierd met heiligheid, en gezalfd met de Heilige Geest

B: De schoonheid van de Vader als jaspis.

Openb.4:3 Degene die op de troon zat had een uiterlijk als van jaspis……

B1: De jaspis wordt zeven keer genoemd in de Bijbel.

1) Als onderdeel van het hogepriesterlijke gewaad.

Ex.28:17-20 Zet er vier rijen stenen op: de eerste rij wordt gevormd door een robijn, een topaas en een smaragd; de tweede rij door een granaat, een saffier en een aquamarijn; de derde door een barnsteen, een agaat en een amethist, en de vierde door een turkoois, een onyx en een jaspis, allemaal in gouden kassen gevat (zie ook in Ex.39:8-13).

2) Als onderdeel van de kleding van Lucifer, voordat hij in zonde viel.

Ezech.28:12-15 Dit zegt God, de HEER: Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door Mij neergezet op de heilige berg van God, waar je wandelde tussen vurige stenen. Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg.

3) Als beschrijving van de glorie van de Vader.

Openb.4:3 Degene die op de troon zat had een uiterlijk als van jaspis en sarder, en rond de troon was een regenboog die eruit zag als smaragd.

4) Als beschrijving van de schittering van het Nieuwe Jeruzalem.

Openb.21:10-11 Ik raakte in vervoering, en hij nam mij mee naar een heel hoge berg en liet me de heilige stad Jeruzalem zien, die uit de hemel neerdaalde, bij God vandaan. De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van een edelsteen, als een kristalheldere jaspis.

Openb.21:18 De muur was gemaakt van jaspis, en de stad zelf was van zuiver goud, helder als glas.

Openb.21:19-20 De grondstenen van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen. De eerste was van jaspis, de tweede van lazuursteen, de derde kornalijn, de vierde smaragd, de vijfde sardonyx, de zesde sarder, de zevende olivijn, de achtste aquamarijn, de negende topaas, de tiende turkoois, de elfde granaat en de twaalfde amethist.

B2: Jaspis is de steen die perplex doet staan.

In Ex.28:20, 39:13 en Ezech.28:13 wordt gesproken over de rode jaspis; het Hebreeuwse woord dat gebruikt wordt is ‘yahalom’, dat afgeleid is van het werkwoord ‘halam’ dat de betekenis heeft van slaan met een hamer; dit woord wordt onder andere gebruikt wanneer iemand door de wijn beschonken is geraakt. Jaspis is dus een rode steen bij het zien waarvan men perplex raakt als bij het drinken van wijn.

Jer.23:9 Gebroken ben ik, heel mijn lichaam beeft, ik lijk wel dronken, beneveld door wijn door toedoen van de HEER, door Zijn heilige woorden.

Jaspis is een opale en fijnkristallijne variëteit van kwarts en de chemische samenstelling van jaspis is identiek aan die van agaat, vuursteen en hoornkiezel. De kleuren zijn variabel, van geel via rood en roodbruin tot groen, en ze worden geslepen en gepolijst om in sieraden gezet te worden. De naam jaspis komt van het griekse ‘iaspis’ en dat betekent gespikkelde steen. Jaspis is een grofkorrelige kwartsvariëteit die veel voorkomt. Het is zelfs in tuingrind te vinden. Jaspis als ruwe steen is dof en compact en is ontstaan uit korrelig kiezelzuur dat op een natuurlijke manier met ijzeroxide is gevuld. Er is rode, gele, groene,roze en zwarte jaspis. En soms ook meerkleurig. Door zijn veelheid in kleur is het de steen van de onbaatzuchtigheid en wordt daarom ook wel ‘christussteen’ genoemd. In oude tijden was de jaspis een geliefde steen waar sterke magische kwaliteiten aan werden toegeschreven.

God bezit een schoonheid als jaspis, omdat Hij Zichzelf graag presenteert als Iemand die verbazing wekt en perplex doet staan vanwege Zijn schoonheid; Hij bedwelmt ons met Zijn schittering en brengt ons in extase vanwege Zijn bovennatuurlijke schoonheid.

2Kor.5:13a Zijn we in extase, dan is het voor God……

Bij het zien van deze schitterende God wordt de wijsheid van een mens als die van een dronken man; alle menselijke kracht en wijsheid wordt nutteloos en onbruikbaar bij het zien van deze prachtige God in al Zijn schoonheid. De schitterende luister van God wordt omschreven als een edelsteen die kristalhelder is als de jaspis.

Openb.21:11 De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van een edelsteen, als een kristalheldere jaspis.

Dit alles spreekt van een schitterende zuiverheid in het wezen van Gods karakter, in al Zijn liefde, wijsheid en kracht.

B3: Gods aangezicht schittert als jaspis.

De beschrijving van Gods uiterlijk is vooral een beschrijving van Zijn gestalte, het schitterende licht dat van Hem afstraalt, een verbijsterende schoonheid en de ontzagwekkende helderheid van Zijn glorie. Wanneer wij het licht van Zijn aangezicht zien, betekent dit dat Hij Zich naar ons toegekeerd heeft om ons te zegenen.

Num.6:24-27 Moge de HEER u zegenen en u beschermen, moge de HEER het licht van Zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, moge de HEER u Zijn gelaat toewenden en u vrede geven.

Ps.4:7b HEER, laat het licht van Uw gelaat over ons schijnen.

Ps.89:16 Gelukkig het volk dat van Uw roem getuigt en leeft, HEER in het licht van Uw gelaat.

Matt.17:2 Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante, Zijn gezicht straalde als de zon en Zijn kleren werden wit als het licht.

Hebr.1:3 In Hem schittert Gods luister, Hij is Zijn evenbeeld……

2 Kor.4:6 De God die heeft gezegd: Uit de duisternis zal licht schijnen, heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met de kennis van Zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus.

B4: Gods ontoegankelijke licht.

1 Tim.6:16 Hij alleen is onsterfelijk en Hij woont in een ontoegankelijk licht; geen mens heeft Hem ooit gezien of kan Hem zien. Aan Hem zij de eer en de eeuwige kracht. Amen.

Het licht van de schitterende schoonheid van God is ontoegankelijk vanwege de enorme overweldigende kracht en glorie; het woord ‘ontoegankelijk’ is hier een aanduiding van de capaciteit van dit licht, maar niet van de emotionele kwaliteit. God zegt hier niet dat Hij niet benaderd wil worden in de betekenis van relatie, Hij zegt niet dat Hij afstandelijk is omdat Hij niet van mensen zou houden. Nee integendeel, het schitterende licht van Gods schoonheid spreekt van een heiligheid die Hem onderscheidt van alle geschapen wezens, zowel engelen als mensen. Het licht van Gods glorie remt ons aan de ene kant af om dichterbij te komen vanwege de schoonheid van dit licht, maar trekt ons aan de andere kant sterk naar zich toe vanwege de intense liefdevolle passie van dit licht.

De serafs rond de troon van God hebben zes vleugels (Jes.6:2, Openb.4:8); met twee vleugels bedekken zij hun gezicht, met twee vleugels bedekken zij hun lichaam en met twee vleugels vliegen zij. Deze serafs, die dag en nacht voor Gods troon zijn, worden gedwongen om hun ogen te bedekken, omdat zij overweldigd worden door de schoonheid van het licht van God; zij bedekken hun ogen niet omdat het verboden is naar God te kijken, maar omdat het licht van Gods glorie te overweldigend is. Maar toch kunnen wij als kinderen van God onbevangen voor de troon van God verschijnen

Ps.84:12 Want God de HEER is een zon en een schild; genade en glorie schenkt de HEER, Zijn weldaden weigert Hij niet aan wie onbevangen op weg gaan.

B5: Gods bekleedt Zichzelf met een schitterend licht.

Ps.104:2 Met glans en glorie bent U bekleed, in een mantel van licht gehuld.

Job 21:22-23 Uit het noorden nadert een gouden schittering; huiveringwekkend is de luister waarin God Zich hult. De Ontzagwekkende, die wij niet kunnen vatten, is groot door Zijn kracht en door Zijn recht.

Hab.3:3-4 God komt uit Teman, de Heilige komt uit de bergen van Paran. Zijn glorie straalt aan de hemel, de aarde is vol van Zijn roem. Schittering is er als zonlicht, stralen komen uit Zijn hand, waarin Zijn kracht verborgen is.

Ps.93:1-2 De HEER is koning, met hoogheid is Hij bekleed, de HEER is met macht bekleed en omgord. Vast staat de wereld, zij wankelt niet, en vast staat van oudsher Uw troon, U bent van alle eeuwigheden.

C: De schoonheid van de Vader als sarder.

Openb.4:3 Degene die op de troon zat had een uiterlijk als van ……sarder.

C1: De sarder wordt vijf keer in de Bijbel genoemd.

In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt in het Oude Testament het woord voor sarder met robijn vertaald.

1) Als onderdeel van het hogepriesterlijke gewaad.

Ex.28:17-20 Zet er vier rijen stenen op: de eerste rij wordt gevormd door een robijn, een topaas en een smaragd; de tweede rij door een granaat, een saffier en een aquamarijn; de derde door een barnsteen, een agaat en een amethist, en de vierde door een turkoois, een onyx en een jaspis, allemaal in gouden kassen gevat (zie ook in Ex.39:8-13).

2) Als onderdeel van de kleding van Lucifer, voordat hij in zonde viel.

Ezech.28:12-15 Dit zegt God, de HEER: Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door Mij neergezet op de heilige berg van God, waar je wandelde tussen vurige stenen. Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg.

3) Als beschrijving van de glorie van de Vader.

Openb.4:3 Degene die op de troon zat had een uiterlijk als van jaspis en sarder, en rond de troon was een regenboog die eruit zag als smaragd.

4) Als onderdeel van de muur van het Nieuwe Jeruzalem.

Openb.21:19-20 De grondstenen van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen. De eerste was van jaspis, de tweede van lazuursteen, de derde kornalijn, de vierde smaragd, de vijfde sardonyx, de zesde sarder, de zevende olivijn, de achtste aquamarijn, de negende topaas, de tiende turkoois, de elfde granaat en de twaalfde amethist.

C2: De sarder toont ons hoe God voelt.

De chalcedoon is een halfedelsteen en een variëteit van het mineraal kwarts; wanneer het een carneool is, is de kleur rood, en wanneer het een sarder is, heeft het een vleeskleurig uiterlijk. De carneool is ook een agaat en behoort bij de kwartsgroep. Het verschil met de gewone agaat is, dat de carneool geen banden of vlekken heeft, maar een bijna egale kleur. Deze kleur varieert van vleeskleurig oranje tot oranjerood, met alle tussenliggende oranjegele tinten.

De Hebreeuwse naam is ‘odem’ en de Griekse naam is ‘sardios’; het Hebreeuwse woord is afgeleid van de naam Adam, en de overeenkomstige kleur is rood. Adam ontving zijn naam van God omdat zijn menselijke vlees gevormd werd uit de materie van rode aarde. De sarder wordt in de N.B.V. omschreven als robijn, terwijl de N.B.G. hem omschrijft als rode jaspis, wat tot verwarring leidt. De sarder is een robijn met een egaalrode kleur die spreekt van het emotionele hart van een wonderschone God.

Deut.4:24 Want de Heer uw God is een verterend vuur, Hij duldt geen andere goden naast Zich.

Gods jaloerse liefde is niet jaloers zoals menselijke jaloersheid; Gods liefde is zuiver en spreekt van een intens verlangen naar mensen, omdat Hij in al Zijn schoonheid zeer diepe gevoelens voor ons koestert. Juist omdat Hij Zelf zo mooi is, ziet Hij in de mensen ook de mogelijkheid van eeuwige schoonheid.

C3: De liefde van de Vader.

Joh.15:9 Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader Mij heeft liefgehad.

Joh.17:23b …… en dat U hen liefhad zoals U Mij liefhad.

De openbaring van het emotionele hart van God dat mooi is als een sarder, maakt dat wij ons geliefd voelen, als mensen die gewild zijn en begeerd worden door een prachtige God; onze werkelijke betekenis ligt in de identiteit van Hem die intens naar ons verlangt. Maar de sarder spreekt ook van Zijn liefde en ijver voor gerechtigheid; deze heilige God zal alles aan de kant schuiven en verwijderen wat tegengesteld is aan Zijn gepassioneerde liefde. Alles wat niet in overeenstemming is met het sprankelende licht van de jaspis, zal verwijderd worden door het offer van Gods Zoon Jezus Christus als het geslachte Lam, die de menselijke kleur aannam van de sarder. De schittering van de jaspis weerspiegelt het licht van God (1Joh.1:5), terwijl het vurige licht van de sarder de jaloerse liefde van God weergeeft (Hebr.12:29). Zo bezit ook de Zoon van God tegelijkertijd een schitterend witte schoonheid, die vermengd is met Zijn menselijke rode kleur (Hgl.5:10); Hij is tegelijkertijd de Leeuw van Juda en het Lam van God (Openb.5:5-6), en Hij is tegelijkertijd het vuur van een smid en het loog van een wolwasser (Mal.3:2). De God met de schoonheid van een jaspis verlangt er zo hevig naar om ons perplex te doen staan vanwege Zijn indringende heilige tegenwoordigheid, dat Hij tot het uiterste is gegaan door mens te worden om verbrijzeld te worden door Zijn eigen ijver en gerechtigheid. Deze twee verschillende tinten rood spreken zo van de God-Mens Jezus.

D: De regenboog als een smaragd.

Openb.4:3 …… en rond de troon was een regenboog die eruit zag als smaragd.

D1: De smaragd wordt vijf keer in de Bijbel genoemd.

1) Als onderdeel van het hogepriesterlijke gewaad.

Ex.28:17-20 Zet er vier rijen stenen op: de eerste rij wordt gevormd door een robijn, een topaas en een smaragd; de tweede rij door een granaat, een saffier en een aquamarijn; de derde door een barnsteen, een agaat en een amethist, en de vierde door een turkoois, een onyx en een jaspis, allemaal in gouden kassen gevat (zo ook in Ex.39:8-13).

2) Als onderdeel van de kleding van Lucifer, voordat hij in zonde viel.

Ezech.28:12-15 Dit zegt God, de HEER: Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door Mij neergezet op de heilige berg van God, waar je wandelde tussen vurige stenen. Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg.

3) Als beschrijving van de glorie van de Vader.

Openb.4:3 Degene die op de troon zat had een uiterlijk als van jaspis en sarder, en rond de troon was een regenboog die eruit zag als smaragd.

4) Als onderdeel van de muur van het Nieuwe Jeruzalem.

Openb.21:19-20 De grondstenen van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen. De eerste was van jaspis, de tweede van lazuursteen, de derde kornalijn, de vierde smaragd, de vijfde sardonyx, de zesde sarder, de zevende olivijn, de achtste aquamarijn, de negende topaas, de tiende turkoois, de elfde granaat en de twaalfde amethist.

Het Hebreeuwse woord voor smaragd is ‘bareqeth’, dat afgeleid is van het woord ‘baraq’ wat bliksem betekent; maar het is ook de aanduiding van een flikkerend zwaard. Het Griekse woord is ‘smaragdos’. 

D2: De regenboog als teken van hoop.

Gen.9:12-17 En dit, zei God, zal voor alle komende generaties het teken zijn van het verbond tussen Mij en jullie en alle levende wezens bij jullie: Ik plaats Mijn boog in de wolken; die zal het teken zijn van het verbond tussen Mij en de aarde. Wanneer Ik wolken samendrijf boven de aarde en in die wolken de boog zichtbaar wordt, zal Ik denken aan Mijn verbond met jullie en met al wat leeft, en nooit weer zal het water aanzwellen tot een vloed die alles en iedereen vernietigt. Als Ik de boog in de wolken zie verschijnen, zal Ik denken aan het eeuwigdurende verbond tussen God en al wat op aarde leeft. Dit, zei God tegen Noach, is het teken van het verbond dat Ik met alle levende wezens op aarde gesloten heb.

Wanneer de God van verblindende heiligheid (jaspis) en vurige ijver in gerechtigheid (sarder) in de nabijheid van zondige mensen komt is er een dringende noodzaak van een regenboog van hoop (smaragd). Vijf keer spreekt God in deze tekst over Zijn eeuwigdurend verbond met de mensheid en de regenboog is het teken van dat verbond. De regenboog spreekt van een verbond van genade waarin God Zichzelf voortdurend herinnert aan Zijn onuitputtelijke goedheid. De regenboog is geheel rond de troon van God, m.a.w. de regenboog omringt de troon volledig; dat betekent voor ons dat de glorie van Gods genade Zijn troon van majesteit en heiligheid volledig omgeeft. Dit spreekt een taal dat de heiligheid van God nooit zonder Zijn genade aan mensen getoond wordt; wanneer er sprake is van oordeel op grond van Gods heiligheid, zal er ook altijd sprake zijn van de mogelijkheid om genade te ontvangen op grond van Gods goedheid.

Ps.25:10 Liefde en trouw zijn de weg van de HEER voor wie de wetten van Zijn verbond onderhouden.

Ps.32:10 Een slecht mens heeft veel leed te verduren, maar wie op de HEER vertrouwt wordt met liefde omringd.

Ps.89:14 Uw troon rust op recht en gerechtigheid, liefde en waarheid staan in Uw dienst.

Johannes gebruikte het Grieks woord ‘iris’ voor regenboog, wat een tamelijk zeldzaam gebruikt woord was, terwijl het vaker gebruikte woord voor regenboog het woord ‘toxon’ was. De ‘iris’ was echter een aanduiding voor een volledige cirkel, terwijl de ‘toxon’ slechts een aanduiding was voor een halve cirkel; zo zag ook Ezechiël een gloed van vuur als een regenboog die volledig rondom de troon van God was.

Ezech.1: 26-28 En boven de koepel zag ik iets dat leek op een troon van saffier, en daarboven, op die troon, zag ik een gedaante als van een mens. Vanaf wat Zijn lendenen leken te zijn naar boven toe zag ik iets dat glansde als wit goud en door iets als vuur omgeven was, en naar beneden toe zag ik iets als vuur, omgeven door een stralende gloed. Zoals de boog die bij regen verschijnt in de wolken, zo zag die gloed eruit. Dit was de aanblik van de stralende verschijning van de HEER.

De zeven kleuren van de regenboog (rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet) zijn in de troonzaal van God gewikkeld in een kleed van smaragdgroen; groen is de middelste kleur van de regenboog en daarmee de centrale kleur. Groen is in de natuur de meest voorkomende kleur die van nature een rustgevende kleur is; onze ogen kunnen naar groen kijken zonder vermoeid te raken. Deze regenboog rondom de troon van God spreekt van Zijn verlangen om altijd Zijn genade te tonen in Zijn oordelen; zonder de genade van God zouden de zondeval van de mens, de woede van satan en de oordelen van God de aarde allang volledig hebben vernietigd (Micha 7:18-20). De regenboog rondom de troon van God is een profetisch teken dat God Zijn grote genade wil tonen in de tijd van buitensporig grote zonde en de meest hevige oordelen in de geschiedenis van de mensheid; er is ook in de eindtijd nog steeds sprake van Gods genade tijdens Zijn oordelen.

Hab.3:2 HEER, ik heb Uw aankondiging gehoord. Voor wat U gaat doen, HEER, heb ik ontzag. Breng het in deze tijd tot stand, maak het in deze tijd bekend, maar toon Uw mededogen als het tumult losbarst.

De regenboog is een teken van vrede dat verschijnt in de wolken als de storm voorbij trekt; de regenboog wordt gezien wanneer de zon zijn licht laat schijnen temidden van de storm. De regenboog is een weerspiegeling van de schoonheid van de zon en is een belofte van God, dat wanneer het conflict voorbij is God Zijn glimlach weer over de aarde zal laten schijnen om haar weer mooi te maken.

Jes.54:9-10 Dit is voor Mij als bij de vloed van Noach: zoals Ik heb gezworen dat het water van Noach nooit meer de aarde zou overspoelen, zo zweer Ik dat Mijn toorn jou niet meer treft en dat Ik je nooit meer bedreig. Al zouden de bergen wijken en de heuvels wankelen,

Mijn liefde zal nooit meer van jou wijken en Mijn vredesverbond is onwankelbaar, zegt de HEER, die Zich over je ontfermt.

1Kron.16:34 Loof de HEER, want Hij is goed, eeuwig duurt Zijn trouw.

Jes.55:3 Leen Mij je oor en kom bij Mij, luister en je zult leven. Ik sluit met jullie een eeuwigdurend verbond, de bevestiging van Mijn liefde voor David.

Johannes zag in Openb.10:1-11 een machtige engel uit de hemel neerdalen met een regenboog om zijn hoofd (vers 1); en hoewel hij moest profeteren over talrijke landen en volken, sprak ook deze regenboog van de genade van God temidden van Gods oordelen in de eindtijd.

D3: De genade en goedheid van de Heer.

Ex.34:6 De HEER ging voor hem langs en riep uit: De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig.

Ps.86:15 U, HEER, bent een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig.

Ps.103:8 Liefdevol en genadig is de HEER, Hij blijft geduldig en groot is Zijn trouw.

Ps.145:8-9 Genadig en liefdevol is de HEER, Hij blijft geduldig en groot is Zijn trouw. Goed is de HEER voor alles en allen, Hij ontfermt Zich over heel Zijn schepping.

Micha 7:18 Wie is een God als U, die schuld vergeeft en aan zonde voorbijgaat? U blijft niet woedend op wie er van Uw volk nog over zijn; liever toont U hun Uw trouw.

Deze teksten geven vier verklaringen over het wezen van de God die op de troon in de hemel zit en omringd wordt door deze regenboog.

a) Hij is liefdevol - God zal altijd een weg vinden om ons te helpen voorwaarts te gaan, omdat Hij ons zo anders beoordeelt als wij zelf doen; Hij weet dat wij zwak zijn en uit het stof van de aarde gevormd zijn (Ps.78:39, 103:14). De Vader is mensvriendelijk in de manier waarop Hij een relatie met ons onderhoudt; Zijn geboden zijn niet zwaar maar hanteerbaar voor zwakke en gebroken mensen (1Joh.5:3, Matt.11: 29-30).

b) Hij is genadig - God is altijd bereidwillig om Zijn grote genade te geven aan zondige mensen; Hij houdt er enorm van om mensen telkens weer een nieuwe kans te geven (Klg.3:22-23). Hoewel Hij vurig aanspraak op ons maakt, is Zijn genade altijd overweldigend groot om ons te helpen tot Hem terug te keren (Jac.4:5-6).

c) Hij is geduldig - God is uiterst geduldig in het uitstorten van Zijn toorn over de zonde van mensen, en Zijn toorn brengt ook verdriet in Zijn eigen hart (Klg.3:31-33). Hij zal Zijn toorn tot een minimum beperken, zodra wij met bekering tot Hem terugkeren (Ps.30:6, 78:38).

d) Hij is groot van trouw – in de Hebreeuwse taal is er een direct verband tussen de woorden waarheid, geloof en trouw; de God der waarheid gelooft Zijn eigen woord en zal daarom altijd trouw zijn aan Zijn beloften. Ook wanneer wij aan Hem ontrouw zijn door zonde en ongeloof, zal Hij trouw aan Zichzelf blijven, en dus ook aan ons, want Hij kan Zichzelf nooit verloochenen (2Tim.2:13).

Ps 25:10 Liefde en trouw zijn de weg van de HEER voor wie de wetten van Zijn verbond onderhouden.

Ps 33:4-5 Oprecht is het woord van de HEER, alles wat Hij doet is betrouwbaar. Hij heeft recht en gerechtigheid lief, van de trouw van de HEER is de aarde vervuld.

Ps 36:6 HEER, hoog als de hemel is Uw liefde, tot in de wolken reikt Uw trouw,

Ps 89:3 Ik belijd: Uw liefde houdt eeuwig stand, Uw trouw hebt U in de hemel gevestigd.

Ps 89:9 HEER, God van de hemelse machten, HEER, wie is zo sterk als U? Trouw omhult U als een mantel.

E: Fascinatie voor de schoonheid van God.

De God van schitterende schoonheid en macht (jaspis) is een God van gepassioneerde liefde (sarder), die in al Zijn handelen redding en verlossing brengt (regenboog van smaragd). Een obsessieve fascinatie d.m.v. meditatie op de schoonheid van God in Zijn troonzaal bevrijdt ons van de uitputtende afhankelijkheid van aardse weelde en comfort. Als er een eeuwige en onuitputtelijke erfenis in de hemel op ons wacht, is het volslagen nutteloos om zoveel tijd, geld en energie te spenderen aan aards genot, en daarmee op te offeren wat God ons nu al gegeven heeft om datgene te krijgen wat tijdelijk en verderfelijk is (Fil.3:18-19). Wat wij hier op aarde maximaal kunnen krijgen is slechts een vage schaduw van wat wij in de eeuwigheid in volmaaktheid zullen genieten (Fil.3:20-4:1, 1Petr.1:4-5). Petrus stimuleert ons tot een leven van obsessie (1Petr.1:13) want de vreugde van God is het enige geluk waarmee ons hart verzadigd kan worden. Naar de hemel gaan om voor eeuwig van God te genieten is oneindig veel beter dan elke vorm van aards genot en ontspanning.

Een tweede reden voor obsessie van de schoonheid en de vreugde van God is het vermogen om juist te reageren op de onrechtvaardigheden in het aardse leven. Essentieel voor de hemelse vreugde is de goedkeuring van rechtvaardigheid en het oordeel over het kwaad. Openb.19:1-8 spreekt vier keer het woord halleluja uit, twee keer over het oordeel van het ultieme kwaad (vers 1-3), één keer als aanbidding van God (vers 4-5) en één keer over de Koning-Bruidegom en Zijn Bruid (vers 6-8).

Een derde reden voor obsessie van de schoonheid en de vreugde van God is dat het een vrucht van volharding produceert temidden van lijden en verdrukking; volharding is de vrucht van meditatie over verzadiging in de eeuwigheid (Rom.8:18+25, Kol.3:1-4, 2Kor.4:16-18). De manier om het ware karakter van iets te ontdekken is om te gaan naar de plaats waar datgene aanwezig is in zijn hoogste en zuiverste vorm van expressie; om zuiver geloof te ontdekken moeten we het zoeken in zijn hemelse expressie. De hemel is zo absoluut onvoorstelbaar en   onweerstaanbaar aantrekkelijk, omdat de hemel niet alleen maar vol vreugde is, maar ook voor eeuwig toeneemt in vreugde, een groeiende expansie van de schoonheid in de hemel. De hemelse vreugde is niet statisch, maar extatisch tot in het oneindige (Efez.2:7).

De rivier van Gods vreugde groeit alleen maar in omvang (Ezech.47), en neemt elk moment van onze aanwezigheid sterk toe in intensiteit (Klg.3:22-23, Sef.3:17). Na elke bergtop van extase blijkt er steeds weer een nieuwe, hogere bergtop te zijn; onze eeuwige glorie is een constant toenemend proces van groei (Efez.3:18-19), waarin we nooit uitgekeken raken op het wezen en karakter van God (Openb.4:8). God is onbegrensd oneindig en eeuwig, en dus zal onze speurtocht naar de diepten van God ook eeuwig en oneindig zijn en dus voor altijd toenemen in liefde en vreugde.

God zal ons emotionele hart permanent in grootte laten toenemen en onze capaciteit constant vermeerderen om van Hem te kunnen ontvangen; wij zullen voor eeuwig van Hem genieten. God Zelf is de grote Onveranderlijke, maar wij zullen voor eeuwig veranderd worden van glorie tot glorie (2Kor.3:18). Wij zullen vanaf het eerste moment van onze aanwezigheid in de troonzaal volmaakt zijn, maar onze volmaaktheid zal voor eeuwig toenemen en intensiveren. Het zijn onze keuzes hier en nu die mede de mate bepalen waarin wij de eeuwigheid zullen ervaren (Jes.3:10); wat we nu zaaien zullen we straks oogsten (Gal.6:9). Ons verstand zal permanent groeien, zodat we God steeds beter zullen leren kennen; ons emotionele hart zal steeds groter worden, zodat we Gods liefde steeds meer zullen kunnen ervaren. Elk nieuw verlangen in ons hart zal verzadigd worden, waarna er weer nieuwe ruimte gecreëerd wordt voor nieuwe verlangens en grotere verzadiging (Openb.7:9-17 + 22:1-5). We zullen groeien in geluk wanneer wij zien dat anderen gelukkiger zijn dan wij, want liefde is de enige en absolute dominante factor voor de troon van God. De extase is de permanente emotie in de troonzaal van God (2Kor.5:13, 12:4).

 
@V.v.d.B. J

http://www.hefzibah.nl/ 

 

Here I stand in Your Presence

Secret Place - Bob Sorge


Listen to what Bob Sorge says about the Secret Place,with the Lord. Gods, and lust after them, they would not worship me, they have not feared me, they have removed everything that is in reference to My name, and replaced Me with other gods, even teaching their children to do the same.

 And now my love, I must bring judgement to them, for they do not KNOW Me, and I have said that if they would not seek me to know Me, and would turn after other gods I would destroy them. For I am a jealous God, I am a consuming fire, it burns with passion for My beloved, and it burns with the wrath of My jealousy for those who have turned away from Me.

The time has drawn near beloved, you must hide yourself in My Presence for a little while until the indignation of My wrath is done. 
I have told You that I would keep you in the hour that will try the whole world, and so I am true to My word. I have been preparing you in the secret place, and those who love Me shall want for nothing, and when famine comes it shall not come to your house nor pestilence near your door, for I shall ask My angels to keep charge over you. Oh! My daughter My bride, I shall rejoice over you, do not leave Me beloved, stay near by My side, you shall not fear, I shall guide you with My eyes.

Wait upon me, until the day I pour out My indignation even all My fierce anger for all the earth shall be devoured with the fire of My jealousy. 
Sing oh daughter of Zion, shout oh Israel be glad and rejoice with all your heart, oh, daughter of Jerusalem, for I will save you and come rejoicing and singing with joy over you. For I have hid you for a little while and now you shall come forth as a bride prepared for her groom
 Many have wanted to be My bride, but I have chosen you for you have chosen me, the best part, rather then the things of the world, the idols made with hands. Come close My beloved as I whisper love in your ear, you must learn to hear even in the noise of the crowds, your Beloveds voice.
 You shall hear My voice even as you sleep, but even as you sleep you are in My arms of love, for I am watching over you, even in the night seasons. Trust only in Me, not your own wisdom, ask Me before you make a decision, for it will be very vital to know which way to turn, neither to the left nor to the right, only what you hear me speak, if you hear nothing, do nothing, for I am teaching you that we are ONE, and so we move as One. Come beloved, continue to learn of me, to KNOW My heart so that you can do greater things than I, for I have called you to a walk of love, this is the path I took and so must you, for it is in My footsteps that you shall walk. Just as I overcame, so you shall overcome in My name and by My blood and the word of your testimony to the world. So come beloved and enter in with Me into the bridal chamber for it is a time for love, come enter into the holy of holies. Hide yourself in Me.

COPYRIGHT POLICY: Articles and prophetic words may be copied for free distribution or personal use provided they are reproduced in their entirety and with no changes. 

 

STANDING THERE - Bobo Sorge

 

This has been the message of my heart for weeks! When I read this it was incredible confirmation to my heart that this message of “standing before the throne” as a lifestyle is a must of heaven no matter what adjustments we must make in this hour to see this done! Thanks to Bob Sorge of the International House of Prayer in KC for this fantastic article! Click the picture below to visit their site! 

 One of the best kept secrets of our faith is the blessedness and joy of cultivating a secret life with God. Imagine the sheer delight of it even now. You’re tucked away in a quiet nook; the door is shut; you’re curled up in a comfortable position; the living word of God is laid open before your you; Jesus Himself stands at your side; the Holy Spirit is gently washing your heart; your love is awakened as you meditate upon the gracious words of His mouth; your spirit is ignited, and your mind is renewed; you talk to Him, and He talks to you in the language of intimate friendship.

Ahhh, it doesn’t get any better than this!
He’ll will do everything in its power to misrepresent and distort the exuberant delight of this dynamic reality; this present world system is strategically designed to squeeze out your time and energy for the secret place; the church usually focuses its best energies on getting saints busy; and there seem to be relatively few believers whose secret life with God is so vibrantly life-giving that it kindles a contagious desire in others to follow their example.
 
I connect viscerally with the pain of countless believers who carry a conviction that the secret place is central to an overcoming life but who struggle on a regular basis to maintain the secret place as a daily lifestyle. I know what it’s like to live below what the Christian walk could be and yet feel almost powerless to change anything. I’ve watched myself return persistently to the sources which are no sources at all. For example, when wanting to get revitalized from a draining day, we look to television, as though its distractions will renew us—only to be left empty for the umpteenth time. Or, we will attend a church service in the hope that the preacher’s walk with God will infuse us with fresh energy for the journey. But deep down we know that sermons and teachings, although edifying, can never replace the carrying power we find when we sit at His feet and hear His word for ourselves.

When you retreat to the secret place, you are standing in the Spirit together with all the saints on the sea of glass and gazing upon the One who is seated on the throne (Revelation 15:2). Even though your eyes are veiled so you can’t see Him with the natural eye, you are still standing directly before the throne! The highest privilege of all creation is to stand before the living fire of God’s presence and burn with holy affection for your Father and King. Standing here is your eternal destiny, and you can taste a bit of heaven on earth by shutting your door and standing before your God in the beauty of holiness.

Your schedule doesn’t want to let you stand here; work demands militate against your standing here. But you are awakened to the beauties of holiness and now you long to come aside and stand in His presence. Just to stand, and having done all, to stand!
 
To stand, despite the warfare; to stand, despite the resistance; to stand, despite the hassles; to stand, despite weariness; to stand, despite distresses; to stand, despite the temptations; to stand, despite personal failure and collapse; to stand, despite the grief; to stand, despite the loneliness; to stand, even when chained; just to stand!
 
To stand, because of the cross; to stand, because of the Lamb; to stand, because of His affections; to stand, because of His acceptance; to stand, because of His mighty power within; to stand, because of fountains of living water flowing from the innermost being; to stand, because of His surpassing beauty and greatness; to stand, because of His eternal purpose; to stand, because of His everlasting mercies; to stand, because of love!
 
The job description for the Levites is still applicable to us today: “At that time the LORD separated the tribe of Levi to bear the ark of the covenant of the LORD, to stand before the LORD to minister to Him and to bless His name, to this day” (Deuteronomy 10:8). One of our prime responsibilities ( and privileges!) is to stand before the Lord to minister to Him. In the secret place, we simply stand.No great agenda, no mighty ambitions, no rush to move on to the next thing. We just stand before Him and love Him.
 
There are seasons when God calls us to simply stand. We might prefer the adrenalin of chasing down a great cause, but sometimes God calls us to stop all activity and just stand. Sometimes, He gives us no choice. Occasionally, circumstances will constrain us beyond our ability to steer a different course, and we become prisoners to the chains that bind us to God’s will. Incapable of extricating ourselves and moving on to the next thing, all we can do is stand and burn in holy love for our King.
 
It is commonly said, “Don’t just stand there, do something!” When circumstances in our lives are careening out of control, the great temptation—when you don’t know what to do—is to do something. “God can’t steer a stationary vehicle,” they say, “So start moving out on something, and let God direct your course.”
 
That may be the way to go in some situations, but I’ve found that the Lord has been working differently in my life in recent days. He inverted that common saying and gave it to me this way, “Don’t just do something, stand there!” It came like this: “When you don’t know what to do , don’t just do something! Wait on Me, stand before Me, minister to Me, until. Until I speak. When I speak to you, then you can move out in response. But until I speak, just stand there.”
So like the Levites of old (Deuteronomy 10:8), I bear His presence on my shoulders, I stand before Him to minister to Him, and I bless others in His name as He strengthens me. “I have set the LORD always before me” (Psalm 16:8). So I will stand before Him, gaze upon His beauty, and bless Him while I have my breath.
 
I’ve discovered that sometimes God is wasteful. He watches while you cultivate your gifts and talents and ministry abilities, until you become a finely tuned piece of ministry potential. You’re ready to do exploits! And then He takes the well-oiled ministry machine that you’ve become and places you on the shelf—and He says, “Just stand there.”
 
This is what God did with Elijah. Elijah had this expression, “‘As the LORD of God of Israel lives, before whom I stand’” (1 Kings 17:1). Elijah claimed, “I stand before God, that’s what I do.” So the Lord decided to test his claim by putting him under house arrest for three years. In the widow’s home during the famine, he couldn’t stick his head out the door because every nation on earth was looking for him. He was stuck in this hot, stuffy, bleak little house. No friends, no visiting prophets, no other voices to comfort or give him perspective.
 
I can imagine Elijah’s thinking, “Lord, why do You have all this ministry potential holed up in this widow’s house? I mean, in the last three years, I could have raised up a whole graduating class in the School Of The Prophets. We would be taking the nations by force! But no, here I stand and rot!”
 
But Elijah didn’t respond that way because God had already taught him to stand before Him. So when the time of testing came, Elijah was able to persevere and just stand before His God and minister to Him.
 
The Scriptures show us that God has mighty angels who stand in His presence, in some cases for hundreds of years, and wait for His bidding. With all their strength and might, God just has them standing around the throne and waiting on Him! If it were a matter of strength, God has all the strength in heaven He needs!
 
And then the Holy Spirit whispered to me, “I don’t need your strength.” It wasn’t the strength of the eternal Son that brought redemption; it was the fact that He was crucified in weakness that brought us salvation.
 
God doesn’t need our strength; He needs our availability. He’s just looking for us to stand in His presence, gaze upon Him, love Him, and fulfill His word when He speaks.
 
Are you between assignments? Then just stand before Him, enjoy Him and let Him enjoy you!
 

@Bob Sorge 

 

De tegenwoordheid van God

Recent Videos

2076 views - 0 comments
2417 views - 0 comments
3179 views - 1 comment